Ontwaken in het ziekenhuis, op de plek waar mijn moeder al tien dagen sliep. Het voelt zo vertrouwd. Als ik naast me kijk zie ik haar zitten, op het bed van mijn vader. Een leeg bed, want de kermis uit de vorige column is inmiddels opgepakt en verhuisd. Helaas ging mijn vader niet naar huis of naar buiten, waar de wind door je haren waait. Hij ging een grote stap achteruit. Als ik me omdraai naar het raam kan ik hem bijna zien liggen. Aan de overkant van de hal in een kamer op de intensive care. Hij ligt in een bed vol met slangen, met lange witte flessen die hem adem geven en in leven houden.

Mijn gedachten gaan naar de middag ervoor. Ineens was de kamer gevuld. Met witte jassen, met daadkracht en spoed. En ergens waren we er blij om. Dat er actie kwam, dat de artsen zagen wat wij al konden zien. Zijn achteruitgang en het leven wat langzaam uit zijn lichaam liep. Met flinke vaart rijden ze het bed naar de lift, door de automatische deuren naar de intensive care. Ik probeer een glimp van zijn gezicht op te vangen. Schuin zie ik de angst in zijn vragende ogen en zijn mond vormt het woord: “Mama?”

Een snel afscheid is ons gegund. Een kus, een knuffel en daar staan we dan. Er is spanning in mijn hart en ergens voelt het vertrouwd. Alsof ik het weer herken, als een goede vriend van lang geleden. Maar het is niet mijn vriend. Dit is mijn grootste vijand, die met zwarte magie mijn vader ineens kan wegtoveren. We zijn weer terug in de tijd. Als een tijdmachine met raderen die achteruit draaien. 1987, in een flits ben ik weer negentien en zie ik hem liggen, vastgebonden op een brancard. “Ik voel mijn benen niet, ik kan nooit meer voetballen, het is niet goed.” Alsof er niets is veranderd, de jaren ervoor niet zijn geweest. Terug naar af. Weer een familiekamer, weer huilende mensen op de gang, weer wachten op een dokter met nieuws.

In een sneltreinvaart zie ik alles wat hij met ons deed voorbij komen. Wat een rijkdom hebben we in die tweede verlenging toch gehad! Zijn onvoorwaardelijke liefde heeft ons gedragen, zijn geloof in ons was een steun in de rug. Op dit moment kan ik niet meer spreken van een derde verlenging maar is hij begonnen aan de kwalificatiewedstrijd voor zijn leven. En daar zit hij, op de middenstip van het veld, waar hij een paar maanden eerder op precies dezelfde plek omhoog kwam. Toen op een podium met 68.000 mensen bij de Toppers, waar ze hem een staande ovatie gaven. En net als dertig jaar eerder heeft hij ook nu zijn supporters hard nodig. Met iedereen die hem lief heeft staan we om hem heen en zingen hem toe. Op weg naar de overwinning.

“Walk on. Walk on. With hope in your heart. And you’ll never walk alone.”

YOU GO PAP!!

© Christa Krommenhoek

Lees alle columns HIER

Pin It on Pinterest

Share This